Bijzonderheden. De Regeling Gevonden Voorwerpen in het Burgerlijk Wetboek (BW) beschrijft de rechten en plichten van de vinder en van de eigenaar die zijn zaak verloren is. In principe is het een zaak van de gemeente die het in veel gevallen gedelegeerd heeft aan de politie. Informeer daarom bij de gemeente waar gevonden/verloren voorwerpen worden beheerd!
Volgens de wet kan een vinder een door hem gevonden voorwerp bij de politie brengen. Het BW kent geen vindersplicht. Het is dus niet verplicht voorwerpen die je tegenkomt, op te rapen. Wel is er een aangifteplicht: de vinder moet "met bekwame spoed", dus redelijk snel, aangifte doen van zijn vondst. Dat kan bij iedere gemeente en bij elk politiebureau.
Het BW kent geen afgifteplicht, behalve als dat in de gemeentelijke APV is opgenomen. Het is dus mogelijk, afhankelijk van het soort voorwerp, een gevonden voorwerp thuis te bewaren. Dit geldt niet voor gevonden paspoorten, rijbewijzen en/of andere identiteitspapieren, dan wel militaire artikelen. Daarvoor geldt wel de plicht deze te deponeren, omdat het staats- of gemeente-eigendommen betreft. Bij het niet nakomen van deze verplichting maakt men zich schuldig aan het misdrijf verduistering.
Voor gevonden voorwerpen met een dagwaarde van minder dan 450 euro geldt een aparte regeling. De vinder kan zijn vondst mee naar huis nemen maar ook afgeven aan het politiebureau of gemeentehuis. Daarmee doet hij afstand van zijn rechten. Als de eigenaar zich binnen drie maanden niet meldt, mag de politie of de gemeente de zaak verkopen, weggeven of vernietigen. De vinder heeft dus de keus tussen meenemen en na een jaar eigenaar worden, of afgeven en alle rechten laten varen.
Het voorwerp kan gedurende een jaar na de aangifte worden teruggevraagd door de eigenaar. Daarna wordt het eigendom van de vinder. Het jaar gaat pas in nadat het gevonden goed bij de politie is aangemeld. Een vinder die te laat of geen aangifte doet, wordt pas na twintig jaar eigenaar van zijn vondst. Als de eigenaar zich binnen een jaar meldt, moet de vinder zijn vondst teruggeven. Hij heeft dan recht op een vergoeding en mag zijn vondst eventueel houden totdat de eigenaar betaalt. Als de eigenaar niet binnen een maand betaalt, laat de eigenaar daarmee zijn rechten varen. De vinder wordt dan eigenaar.
Een vinder die voldaan heeft aan zijn verplichtingen, heeft recht op "een redelijke vergoeding". Bij een redelijke beloning wordt vaak gedacht aan 10% van de waarde van de vondst. Een vinder die zijn vindersloon niet krijgt, kan dat eventueel via de rechter opeisen. De politie heeft geen recht op vindersloon.
De Regeling is ook van toepassing op professionele vinders die gericht op zoek gaan naar verloren voorwerpen, bijvoorbeeld auto's en motoren.
Een dier dat de vinder op een politiebureau achterlaat, moet in principe twee weken bewaard worden. Daarna mag het worden verkocht, weggegeven of afgemaakt. De termijn van twee weken geldt niet als bewaring onevenredig hoge kosten met zich meebrengt of medisch niet verantwoord is.
Politie en gemeente spannen zich altijd in om de eigenaar van de aangebrachte goederen te achterhalen. Wordt de eigenaar opgespoord dan ontvangt hij/zij bericht. Stelt de eigenaar geen prijs meer op het goed dan kan hiervan afstand gedaan worden. De eigenaar kan het goed zelf ophalen of iemand machtigen dit te doen. De gemachtigde moet dan een legitimatiebewijs van zichzelf en een legitimatiebewijs (kopie) van de eigenaar meenemen.
Gevonden voorwerpen worden, zo is wettelijk bepaald, na het verstrijken van die wettelijke verjaartermijn door de politie verkocht, vernietigd of hergebruikt. Voor vinders die door hen gevonden voorwerpen zelf thuis bewaren, geldt een bewaartermijn van een jaar. In sommige gevallen verkoopt de politie de voorwerpen via een veiling. Informatie hierover is te verkrijgen bij de politie in uw woonplaats.